De KEV 2026 voorziet tot 2030 een groei van het gebruik van biomassa voor energie. Die groei komt vooral door biobrandstoffen en groen gas. De meestook van vaste biomassa in elektriciteitscentrales verdwijnt juist. Na 2030 verschuift de vraag steeds meer naar sectoren die moeilijk rechtstreeks zijn te elektrificeren, zoals de luchtvaart en scheepvaart.
Nederland niet op koers voor klimaatdoelen
Nederland gaat het klimaatdoel voor 2030 vrijwel zeker niet halen. Met het vastgestelde en voorgenomen beleid daalt de uitstoot van broeikasgassen naar verwachting met 46 tot 53 procent ten opzichte van 1990. Als ook het aanvullende beleid wordt meegerekend, komt de reductie uit op 47 tot 54 procent.
De kans dat het wettelijke streefdoel van 55 procent wordt gehaald, is volgens het Planbureau voor de Leefomgeving kleiner dan 5 procent. Dat staat in de Klimaat- en Energieverkenning 2026, die op 14 september is verschenen.
Ook voor 2040 is Nederland niet op koers. Het huidige uitgewerkte beleid leidt dan tot een emissiereductie van 57 tot 68 procent. Met aanvullend beleid kan dit oplopen tot 61 à 72 procent. De Europese ambitie voor 2040 is een vermindering van 90 procent ten opzichte van 1990.
De KEV is opgesteld door het PBL in nauwe samenwerking met TNO, CBS en RIVM, met bijdragen van RVO en Wageningen University & Research.
Groei vooral door biobrandstoffen en groen gas
Het bruto-eindverbruik van hernieuwbare energie uit biomassa groeit in het basispad van 137 petajoule in 2025 naar ongeveer 203 petajoule in 2030. Vrijwel de volledige toename komt voor rekening van biobrandstoffen voor vervoer en biogas.
Het verbruik van vloeibare biotransportbrandstoffen stijgt van 57,9 petajoule naar ongeveer 127 petajoule. Daarvan gaat 62,1 petajoule naar het wegverkeer en 18,1 petajoule naar mobiele werktuigen, zoals bouw- en landbouwmachines. Circa 45,2 petajoule is bestemd voor de internationale luchtvaart en scheepvaart.
Voor de binnenlandse mobiliteit verwacht het PBL in 2030 een inzet van 83,8 petajoule aan biobrandstoffen. Deze inzet vermindert de uitstoot naar verwachting met ongeveer 5 tot 7 megaton CO₂-equivalenten. Het aandeel biobrandstoffen in het totale energiegebruik van de binnenlandse mobiliteit komt daarmee boven de 20 procent uit.
De cijfers van 127 en 83,8 petajoule hebben dus betrekking op verschillende gebieden. Het eerste cijfer omvat ook de brandstoffen voor de internationale luchtvaart en scheepvaart. De 83,8 petajoule gaat alleen over de binnenlandse mobiliteit.
De groei van biomassa vindt niet plaats bij de elektriciteitscentrales. De meestook van biomassa daalt in het basispad van 14,8 petajoule in 2025 naar nul in 2030. Ook de warmteproductie uit biomassa in deze centrales stopt volgens de raming door het aflopen van subsidies. Andere warmtebronnen, zoals aardwarmte, elektrische boilers, warmtepompen en aquathermie, nemen een groter deel van de productie over.
De productie van groen gas uit vergisting en vergassing groeit volgens de KEV van 12,5 petajoule in 2025 naar ongeveer 19,2 petajoule in 2030. Circa 11 petajoule daarvan komt uit mestvergisting.
Het PBL houdt daarbij rekening met de voorgestelde bijmengverplichting voor groen gas. Volgens het wetsvoorstel moeten energieleveranciers vanaf 2027 een oplopende hoeveelheid groen gas leveren. De verplichting moet in 2030 een CO₂-reductie van 1,91 megaton opleveren. Hiervoor is ongeveer 0,5 miljard kubieke meter groen gas nodig. De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel was bij het verschijnen van de KEV nog niet afgerond.
Na 2030 verschuift de vraag
Na 2030 neemt het gebruik van biobrandstoffen in het wegverkeer volgens de raming weer af. Elektrische voertuigen krijgen een groter aandeel, waardoor minder benzine en diesel nodig is. Het aandeel biobrandstoffen in het energiegebruik van de binnenlandse mobiliteit daalt hierdoor naar ongeveer 7 procent in 2040.
Deze uitkomst is gebaseerd op de aanname dat de brandstoftransitieverplichting na 2030 niet verder wordt aangescherpt. Over de hoogte van de verplichting na dat jaar zijn nog geen besluiten genomen. Strenger beleid kan tot een grotere vraag naar hernieuwbare brandstoffen leiden.
Bij de internationale luchtvaart en scheepvaart neemt de vraag juist toe. Europese regels zoals ReFuelEU Aviation en FuelEU Maritime schrijven tot 2050 een oplopende inzet van hernieuwbare brandstoffen voor.
De levering aan de internationale luchtvaart en scheepvaart groeit volgens de KEV van 47 petajoule in 2030 naar 104 tot 154 petajoule in 2040. Hernieuwbare brandstoffen voorzien dan in 20 tot 23 procent van de internationale bunkervraag.
De ontwikkeling van groen gas na 2030 hangt sterk af van het subsidiebeleid. In het basispad neemt het PBL aan dat na de subsidieronde van 2026 geen nieuwe openstellingen van de SDE++ meer volgen. De voorgestelde bijmengverplichting blijft dan de belangrijkste stimulans.
Het aanvullende beleid bevat wel zes nieuwe openstellingen van de SDE++. Hierdoor groeit na 2030 de productie uit onder meer groen gas en geothermie sterker. De KEV vermeldt niet hoeveel extra groen gas deze subsidierondes afzonderlijk opleveren.
Nieuwe grondstoffen en technieken nodig
Tot 2030 kan de groeiende vraag naar biobrandstoffen volgens het PBL grotendeels worden ingevuld met bestaande productieroutes. Daarna wordt dat moeilijker. De biogrondstoffen en technieken die nu worden gebruikt, zijn waarschijnlijk niet voldoende om aan de verdere groei van de vraag te voldoen.
Er zijn dan andere grondstoffen en nieuwe conversietechnieken nodig. De KEV noemt onder meer vergassing in combinatie met Fischer-Tropsch-synthese, methanolsynthese en pyrolyse.
Investeringen in deze technieken komen volgens het rapport nog maar beperkt van de grond. Het PBL wijst op wisselend beleid, onvoldoende ontwikkelde aanvoerketens, versnipperde overheidssteun en onzekerheid over de omvang van de toekomstige markt.
De KEV laat daarmee vooral een verschuiving in het gebruik van biomassa zien. De rol bij elektriciteitsproductie wordt kleiner, terwijl biogrondstoffen belangrijk blijven voor groen gas en voor brandstoffen in sectoren die moeilijk te elektrificeren zijn.
Het rapport behandelt vooral energie en brandstoffen. De vraag naar biogrondstoffen voor chemische producten, materialen en andere toepassingen van duurzame koolstof is slechts beperkt meegenomen. De werkelijke concurrentie om beschikbare duurzame grondstoffen kan daardoor groter worden dan uit de energieramingen alleen blijkt.
Bronnen:
- Klimaat- en Energieverkenning 2026, PBL
- Volledig rapport Klimaat- en Energieverkenning 2026
- Achtergrondrapport hernieuwbare energie in de mobiliteit
- Wetstraject bijmengverplichting groen gas
Foto: Gecombineerd beeld, Nataraj, Adobe Stock en KEV 2026









