LTO Nederland vindt dat de voorgenomen bijmengverplichting groen gas te weinig zekerheid biedt dat er in Nederland nieuwe productiecapaciteit bij komt. Dat schrijft de organisatie in haar inbreng van 12 augustus voor de internetconsultatie over de ministeriële regeling, die een dag later sloot. LTO steunt de ambitie van het kabinet om de groengasproductie fors te vergroten, maar plaatst vraagtekens bij de uitwerking.
De regeling stuurt op ketenemissiereductie, berekend via de CI-score voor koolstofintensiteit. LTO ziet daar ook een voordeel in, omdat routes met een hoge klimaatprestatie zoals monomestvergisting daarmee een extra prikkel krijgen, en omdat de sector zo op termijn van subsidie naar een stabiele marktvraag kan doorgroeien. Het bezwaar zit in wat de systematiek niet borgt.
Bestaande installaties kunnen de verplichting vullen
Groen gas is volgens LTO onmisbaar voor de energiezekerheid van Nederland, “mits het is geproduceerd in Nederland”. Daar wringt het volgens de organisatie. De regeling beloont gerealiseerde emissiereductie, maar waarborgt niet dat er ook nieuwe installaties bij komen.
LTO wijst op twee manieren waarop de doelen gehaald kunnen worden zonder dat er iets bij gebouwd wordt. Een belangrijk deel van de verplichting kan worden ingevuld met al bestaande Nederlandse productiecapaciteit waarvan de SDE++-subsidie afloopt, of met buitenlandse certificaten en productiestromen. In beide gevallen wordt formeel aan de doelstelling voldaan, terwijl de opschaling in Nederland uitblijft.
Daar komt bij dat de bekende knelpunten voor nieuwe projecten onveranderd blijven. LTO noemt vergunningverlening, stikstofruimte, netcapaciteit, financiële zekerheid via de bestaande SDE++ en duidelijkheid over mestverwaarding. Zonder voortgang op die dossiers is volgens de organisatie onzeker of de gewenste uitbreiding er komt, ongeacht wat de bijmengverplichting doet met de vraagkant.
De redenering achter de oproep is dat Nederlandse gebruikers de kosten van de regeling dragen, en dat de daarmee gecreëerde marktvraag dan zoveel mogelijk aan Nederlandse productiecapaciteit ten goede moet komen. LTO vraagt het kabinet te bezien hoe vraagstimulering sterker kan worden gekoppeld aan nieuwe capaciteit, en om niet uitsluitend te sturen op emissiereductie maar ook op bredere doelen. Genoemd worden methaan- en stikstofreductie, mestverwaarding, kringlooplandbouw, regionale energieproductie en energiezekerheid. Productiecapaciteit in Nederland is volgens LTO maatwerk, dat gebiedsgericht en samen met betrokken partijen moet worden aangepakt.
Voorzitter Ger Koopmans stelt dat juist de stapeling van maatschappelijke baten groen gas waardevol maakt voor Nederland. Monomestvergisting, zeker in combinatie met dagverse mestafvoer en mestverwaarding achter de vergister, levert volgens LTO naast energie ook een bijdrage aan de landbouwtransitie en aan een verdienmodel voor boeren.
Waarom sturen op Nederlandse productie lastig ligt
LTO schrijft dat de verplichting niet mag worden ingevuld met geïmporteerd groen gas, buitenlandse certificaten of buitenlandse productiestromen. Een uitsluiting van buitenlands groen gas stond eerder in het wetsvoorstel en is er inmiddels uit gehaald.
Dat blijkt uit het advies van de Raad van State van 18 maart 2026. Na notificatie van een eerdere versie bracht de Europese Commissie een uitgebreid gemotiveerde mening uit, waarna het voorstel is aangepast. In de huidige versie is buitenlands groen gas niet langer uitgesloten. De zaak is daarmee nog niet rond: de Commissie stuurde op 16 februari 2026 een nadere reactie met vragen, waarop Nederland op 3 maart antwoordde. De Raad van State adviseert het kabinet uitgebreider in te gaan op de verhouding tot het vrije verkeer van goederen en diensten en tot de vrijheid van vestiging, en om het voorstel opnieuw voor te leggen als de notificatieprocedure tot ingrijpende wijzigingen leidt.
De Afdeling advisering plaatste ook een kanttekening bij het toezicht. De Uniedatabank, waarin transacties met hernieuwbare brandstoffen worden geregistreerd, werkt nog maar deels en het is onduidelijk wanneer dat verandert. Dat roept volgens de Afdeling de vraag op hoe betrouwbaar toezicht mogelijk is op schakels in het buitenland, en of het verantwoord is met de verplichting te starten zolang die databank niet volledig operationeel is.
Hoe de verplichting werkt
Energieleveranciers moeten straks jaarlijks een oplopende hoeveelheid groen gas leveren aan eindgebruikers. Zij voldoen daaraan met groengaseenheden, waarbij één eenheid staat voor een kilogram vermeden CO2-equivalent in de hele keten. Het aantal eenheden hangt af van het marktaandeel van de leverancier. Via een jaarlijks groeipad moet dat in 2031 uitkomen op 2,85 megaton ketenemissiereductie. De eenheden zijn verhandelbaar; het gaat om een nationale handelssystematiek die niet op Europese wetgeving is gebaseerd. De Nederlandse Emissieautoriteit houdt toezicht.
De Nederlandse groengasproductie ligt nu rond de 300 miljoen kubieke meter per jaar. De beoogde ingangsdatum van de verplichting is 1 januari 2027. Voor huishoudens raamt de toelichting bij het wetsvoorstel de meerkosten op maximaal zestig euro per jaar in 2031, met de aantekening dat die vermoedelijk lager uitvallen.
Bronnen: LTO Nederland, inbreng consultatie Regeling bijmengverplichting groen gas, 12 augustus 2026, en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over de Wet bijmengverplichting groen gas, 18 maart 2026
Foto: scharfsinn86, Adobe Stock









