In 2025 kwam 22,7 procent van het totale energieverbruik in Nederland uit hernieuwbare bronnen. Een jaar eerder was dat nog 20,2 procent. Het totale verbruik van hernieuwbare energie steeg naar 401 petajoule, elf procent meer dan in 2024, terwijl het totale energieverbruik daalde naar 1.767 petajoule. Dat blijkt uit voorlopige cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Binnen de hernieuwbare mix bleef biomassa de grootste bron.
Ruim een derde van de hernieuwbare energie kwam uit biomassa, in totaal 137 petajoule. Eén petajoule staat gelijk aan de energie die nodig is om ongeveer 26 duizend woningen te verwarmen. Het biomassaverbruik lag 13 procent hoger dan in 2024. Die toename komt vooral doordat er meer biobrandstoffen worden ingezet voor vervoer.
Biobrandstoffen stuwen het biomassaverbruik
Het verbruik van biodiesel kwam in 2025 uit op 33 petajoule, elf procent meer dan een jaar eerder. De grootste sprong zat bij biokerosine, de duurzame vliegtuigbrandstof, waarvan het verbruik steeg naar 14 petajoule. Dat is bijna anderhalf keer zoveel als in 2024. Het verbruik van biobenzine bleef met 11 petajoule vrijwel gelijk.
De andere hernieuwbare bronnen lieten een gemengd beeld zien. Zonnestroom groeide naar 93 petajoule, negentien procent meer dan een jaar eerder, vooral door het zonnige weer en een verdere uitbreiding van het opgestelde vermogen. Daarmee was zonne-energie goed voor 23 procent van alle hernieuwbare energie. Windenergie kwam uit op 121 petajoule, een toename van vier procent. Die groei viel lager uit dan in voorgaande jaren omdat er in 2025 weinig nieuwe windmolens zijn bijgeplaatst. Warmtepompen haalden 34 petajoule warmte uit de buitenlucht en de bodem, goed voor negen procent van de hernieuwbare energie.

Nederland klimt op de Europese ranglijst
Van alle EU-lidstaten groeide het aandeel hernieuwbare energie in Nederland de afgelopen vijf jaar het sterkst, met 127 procent. In 2024 stond Nederland met 20,2 procent op de achttiende plaats binnen de EU-27, tegen plek vijfentwintig in 2019. Zweden voert de lijst aan met 62,8 procent, België sluit de rij met 14,3 procent. Voor 2030 ligt het gezamenlijke Europese doel op minimaal 42,5 procent, met voor Nederland een eigen doelstelling van 39 procent.
Tussen de sectoren bestaan grote verschillen. Bij gebouwen, waaronder woningen en de dienstensector, was 32 procent van het energieverbruik hernieuwbaar, terwijl het streefdoel voor 2030 op minimaal 49 procent ligt. In de industrie was 8 procent van het verbruik hernieuwbaar, bij een streefdoel van 19,7 procent. De cijfers over 2025 zijn voor het eerst berekend volgens de methodiek van de herziene richtlijn hernieuwbare energie (RED III), waar eerdere jaren nog onder RED I en RED II vielen. Het CBS benadrukt dat het om voorlopige cijfers gaat.
Bron: cbs
Foto Engin Akyurt, Pexels.com









