Aangetaste grond en onderbenutte biomassa kunnen bijdragen aan gezondere ecosystemen en sterkere plattelandseconomieën. Dat stelt de Circular Bio-based Europe Joint Undertaking (CBE JU) in een publicatie van 16 juni, uitgebracht rond de internationale dag tegen woestijnvorming en droogte. Volgens het samenwerkingsverband laten verschillende door Europa gefinancierde projecten zien hoe biobased oplossingen het herstel van land kunnen combineren met economische ontwikkeling op het platteland.
De aandacht ging dit jaar uit naar graas- en weidegebieden. Die beslaan meer dan de helft van het landoppervlak op aarde en leveren voedsel, waterregulatie en koolstofopslag, terwijl ze het levensonderhoud van ongeveer twee miljard mensen ondersteunen. CBE JU wijst erop dat tot de helft van deze gebieden wereldwijd is aangetast of dat risico loopt, met gevolgen voor biodiversiteit, voedselzekerheid en de leefbaarheid van het platteland.
Reststromen en marginale grond als grondstof
Een van de genoemde projecten, Rural BioReFarmeries, richt zich op kleinschalige en decentrale bioraffinage waarmee boeren lokaal beschikbare biomassa verwerken tot afzetbare producten. Volgens projectcoördinator James Gaffey haalt de gekozen aanpak voor graslandverwaarding meer uit iedere hectare, met naast veevoer ook eiwitconcentraten, hoogwaardige ingrediënten, bio-energie en biomeststoffen. Daarmee ontstaan extra inkomstenbronnen voor boeren, terwijl de druk op grond voor de teelt van eiwitgewassen afneemt.
In het FIRST2RUN-project stond de kardoen centraal, een van oorsprong mediterrane plant die in Sardinië groeit op onbewerkte grond en zonder irrigatie. De plant beschermt de bodem tegen erosie en werd geteeld op marginale grond die niet geschikt is voor voedselproductie. De geoogste biomassa diende als hernieuwbare grondstof voor uiteenlopende biobased toepassingen. De verwerking vond plaats in een omgebouwde bioraffinaderij in Porto Torres, een voormalige petrochemische locatie die zo een nieuwe functie kreeg.
Vervuilde bodem terug in productie
Het pHYBi-project zet onderbenutte reststromen uit land- en bosbouw om in hoogwaardige producten en gebruikt daarbij aangetaste, vervuilde of verzilte bodems. Op die gronden worden robuuste non-foodgewassen geteeld zoals populier, berk, wilg, hennep en miscanthus. De aanpak combineert fytoremediatie met biomassaproductie, waarbij planten en bodemmicro-organismen vervuilende stoffen als zware metalen en organische verbindingen vastleggen en de bodemkwaliteit geleidelijk verbeteren. De biomassa wordt verwerkt tot onder meer vezels voor textiel en tot biobrandstoffen, zonder te concurreren met grond voor voedsel. Volgens Andrea Martos van technologiepartner IDENER worden zo onbruikbare percelen weer productief en komt het herstel van bodemstructuur en biodiversiteit op gang. Het project wordt getest op meerdere Europese pilotlocaties, waaronder Belorado in Spanje, Pierrelaye in Frankrijk en demonstratiegebieden in Kroatië.
De publicatie loopt vooruit op de zeventiende conferentie van partijen bij het VN-verdrag ter bestrijding van woestijnvorming (UNCCD COP17), die in augustus plaatsvindt in Ulaanbaatar in Mongolië. Die bijeenkomst staat in het teken van landherstel en weerbaarheid tegen droogte, als onderdeel van het internationale jaar van graaslanden en herders.
Bron: cbe.europa.eu









