Nederland en Brazilië willen nauwer samenwerken aan groene waterstof, biobased grondstoffen en schonere industrie. TNO onderzoekt samen met het ministerie van Klimaatbeleid en Groene Groei waar de grootste kansen liggen. Het doel is niet alleen om kennis uit te wisselen, maar vooral om concrete projecten op te zetten tussen bedrijven uit beide landen.
De druk op de Nederlandse industrie neemt toe. Bedrijven moeten hun CO2 uitstoot verlagen en tegelijk alternatieven vinden voor olie, gas en kolen als grondstof. Dat gaat niet alleen over energie, maar ook over de koolstof die nodig is voor chemie, kunststoffen, brandstoffen en staal. In een klimaatneutrale economie moeten daar andere bronnen voor komen. Nederland heeft daarvoor kennis, havens, industrie en afnemers, maar weinig ruimte en beperkt beschikbare biomassa. Brazilië heeft juist veel hernieuwbare energie, grote hoeveelheden biomassa en een sterke landbouwsector. Volgens TNO kunnen de landen elkaar daardoor goed aanvullen.
Groene waterstof en biogene koolstof
Vooral het noordoosten van Brazilië komt in beeld. In die regio is veel zon en wind beschikbaar. Daarmee kan groene stroom worden opgewekt, die vervolgens kan worden gebruikt om groene waterstof te maken. Die waterstof kan weer dienen als bouwsteen voor brandstoffen en grondstoffen voor de industrie.
Daarnaast heeft Brazilië veel biogene koolstof. Dat is koolstof uit planten, bomen en reststromen, in plaats van uit fossiele bronnen. TNO noemt onder meer suikerriet, bagasse, landbouwresten en beheerde bossen als mogelijke bronnen. Die stromen kunnen worden gebruikt voor de productie van methanol en ethanol. Dat zijn belangrijke grondstoffen voor de chemie, brandstoffen en kunststoffen. Nu komen zulke grondstoffen vaak nog uit fossiele bronnen. Door biogene koolstof te gebruiken, kan de industrie stap voor stap minder afhankelijk worden van olie en gas.
Vier routes voor samenwerking
TNO ziet vier routes die verder kunnen worden uitgewerkt. Een daarvan is groen ruwijzer. Dat is relevant voor de staalindustrie, een sector die veel energie en koolstof gebruikt. Brazilië heeft ijzererts, een bestaande staalindustrie en toegang tot hernieuwbare energie. Dat maakt het land interessant voor de productie van staalgrondstoffen met een lagere klimaatimpact.
Een tweede route is het vergassen van landbouwresten. Daarbij worden reststromen omgezet in grondstoffen zoals methanol en olefinen. Olefinen zijn bouwstenen voor veel chemische producten, waaronder kunststoffen. Als die uit landbouwresten kunnen worden gemaakt, ontstaat een alternatief voor fossiele koolstof. De derde route draait om tweede generatie biomassa. Dat zijn reststromen die niet direct concurreren met voedsel, zoals resten uit landbouw, bosbouw of verwerking. Juist zulke stromen zijn belangrijk, omdat de discussie over biomassa vaak draait om landgebruik en concurrentie met voedselproductie. De vierde route is gezamenlijke ontwikkeling van nieuwe technologie in de chemie. Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven kunnen daarbij samenwerken met Braziliaanse partijen. Het gaat dan niet om losse innovaties, maar om ketens waarin productie, transport, verwerking en afname op elkaar aansluiten.
De markt moet nog op gang komen
Op papier zijn de kansen groot. Toch is de stap naar echte fabrieken en handelsstromen niet vanzelfsprekend. Volgens TNO zit de rem niet alleen in de techniek. Veel technologie is al beschikbaar of in ontwikkeling. De grootste vraag is of bedrijven durven te investeren.
Daarvoor is zekerheid nodig. Een bedrijf bouwt geen fabriek zonder zicht op klanten. En een afnemer sluit niet zomaar een lang contract af als de prijs, kwaliteit en regels nog onzeker zijn. Ook banken en investeerders willen weten of een project voldoende stabiel is. Daar komt certificering bij. Europese bedrijven moeten kunnen aantonen dat grondstoffen duurzaam zijn geproduceerd. Bij internationale ketens is dat ingewikkelder dan bij lokale productie. Er moeten afspraken komen over herkomst, CO2 winst, landgebruik en controle. Zonder die duidelijkheid blijft opschaling moeilijk.
Nederland als schakel naar Europa
Voor Nederland ligt er een duidelijke rol als toegangspoort tot de Europese markt. De haven van Rotterdam en andere industrieclusters kunnen grondstoffen ontvangen, verwerken en doorvoeren. Nederlandse bedrijven hebben bovendien ervaring met chemie, logistiek, waterstof en circulaire technologie.
Voor Brazilië kan de samenwerking meer opleveren dan export van grondstoffen. Het land kan zelf meer waarde toevoegen aan biomassa en groene energie. In plaats van alleen ruwe grondstoffen te leveren, kan Brazilië ook halffabricaten of groene industriële producten maken. Daarmee ontstaat een ander soort handelsrelatie, waarin beide landen aan nieuwe industriële ketens bouwen.
Europese regels geven extra druk
De belangstelling voor zulke ketens groeit door Europees beleid. Bedrijven krijgen te maken met strengere klimaateisen, hogere kosten voor CO2 uitstoot en regels voor import van producten met een grote klimaatimpact. Daardoor neemt de druk toe om fossiele grondstoffen te vervangen.
Voor sectoren als chemie, staal en luchtvaart is dat lastig. Zij kunnen niet alles oplossen met elektriciteit. Ze blijven moleculen nodig hebben. De vraag is waar die moleculen vandaan komen. Uit fossiele bronnen, uit gerecyclede koolstof, uit biogene grondstoffen of uit een combinatie daarvan. De samenwerking met Brazilië past in die bredere zoektocht. Nederland kan niet alle duurzame koolstof zelf produceren. Import zal waarschijnlijk nodig blijven. De uitdaging is om dat op een manier te doen die duurzaam, controleerbaar en economisch haalbaar is.
Van verkenning naar echte projecten
TNO en het ministerie willen nu bedrijven uit Nederland en Brazilië betrekken bij de vervolgstap. Het gaat om industriële partijen, jonge bedrijven en het mkb. Zij moeten helpen om de kansrijke routes om te zetten in projectplannen.
Bron: TNO
Foto: lovelyday12, Adobe Stock









