De biomassa die vanuit Maleisië is geleverd aan energiebedrijf RWE voor de bijstook in Nederlandse centrales voldoet aan de geldende wettelijke duurzaamheidseisen. Dat concludeert de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) in een donderdag gepubliceerd onderzoeksrapport. Hiermee is er volgens de toezichthouder geen juridische grond om subsidies stop te zetten of handhavend op te treden.
Het onderzoek werd vorig jaar ingesteld naar aanleiding van een handhavingsverzoek van milieuorganisaties. Zij uitten hun zorgen over de herkomst van de houtpellets die RWE gebruikt voor energieopwekking in de Amercentrale en de centrale in de Eemshaven. Uit de grondige controle van de Nederlandse Emissieautoriteit blijkt nu dat de administratie van deze leveringen en de bijbehorende duurzaamheidscertificaten volledig in lijn zijn met de Nederlandse wet- en regelgeving.
Correcte classificatie
De kern van de bevindingen ligt bij de classificatie van de biomassa. De pellets worden ingevoerd als ‘categorie 5-biomassa’, wat staat voor afval- en residustromen zoals zaagsel uit de houtindustrie. Voor deze categorie gelden specifieke wettelijke kaders die gericht zijn op de reductie van broeikasgassen. De Nederlandse Emissieautoriteit stelt in het rapport vast dat de leveringen aan RWE volledig en correct zijn gedocumenteerd, waarbij de onafhankelijke certificeerders de controles nauwgezet volgens de voorgeschreven protocollen hebben uitgevoerd. Omdat alle administratieve stappen en verificaties conform de regels zijn doorlopen, worden de pellets formeel als duurzaam aangemerkt binnen de kaders van de SDE++-subsidieregeling.
Hoewel de biomassa aan alle huidige regels voldoet, plaatst de toezichthouder in het rapport wel enkele kanttekeningen bij de robuustheid van het bredere toezichtstelsel. De autoriteit spreekt van kwetsbaarheden in het systeem, omdat de controle op reststromen sterk leunt op administratieve bewijslast en verklaringen van de producenten zelf. In een enkel geval werd een kleine afwijking geconstateerd: bij één producent bestond 3,5 procent van een levering uit hout dat een bewerking in de zagerij had gemist. De autoriteit bestempelt dit echter als een incidentele onvolkomenheid die de algehele conformiteit van de rest van de tienduizenden tonnen biomassa niet in de weg staat.
Geen economische prikkel voor ‘zaagselcreatie’
Een veelgehoord punt van kritiek is de suggestie dat zagerijen in productielanden onnodig veel zaagsel zouden produceren om te kunnen voldoen aan de vraag naar houtpellets. De Nederlandse Emissieautoriteit heeft dit onderzocht en stelt vast dat hier in Maleisië geen aanwijzingen voor zijn.
De verklaring hiervoor is simpelweg economisch: de prijzen voor bewerkt hout (zoals voor de meubelindustrie) liggen in Maleisië tien tot twintig keer hoger dan de prijzen voor pellets op de Nederlandse markt. Het is voor lokale bedrijven dus vele malen aantrekkelijker om kwalitatief hout te exporteren voor hoogwaardige toepassingen dan het te verwerken tot reststromen.
De toezichthouder heeft daarnaast de totale houtproductie in Maleisië afgezet tegen de totale zaagselopbrengst. Uit die vergelijking kwamen geen onverklaarbare verschillen naar voren, wat de conclusie ondersteunt dat er geen zaagsel wordt ‘gecreëerd’ voor de export.
Geen reden tot handhaving
Demissionair minister Sophie Hermans heeft in een reactie laten weten de conclusies van de Nederlandse Emissieautoriteit over te nemen. Omdat RWE binnen de kaders van de Wet milieubeheer opereert, is er geen aanleiding voor sancties of het terugvorderen van subsidies. Voor de nabije toekomst verandert het speelveld overigens wel door strengere Europese regels, maar voor de onderzochte periode stelt de toezichthouder vast dat er volledig aan de verplichtingen is voldaan.
Bron: Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) | Onderzoeksrapport duurzaamheid houtpellets Maleisië NEa
Foto: Sascha, Adobe Stock









