De regels voor de levering van brandstoffen aan de Nederlandse transportsector zijn ingrijpend veranderd. Per 1 januari 2026 heeft de voormalige jaarverplichting plaatsgemaakt voor de nieuwe ‘Brandstoftransitieverplichting’. Dit is meer dan een naamswijziging: voor leveranciers betekent het een strengere focus op daadwerkelijke CO2-reductie en een uitbreiding van de regels naar de binnen- en zeevaart.
Bedrijven die hernieuwbare energie laten meetellen voor de Nederlandse doelen, moeten sinds het begin van dit jaar voldoen aan aangescherpte Europese duurzaamheidseisen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) licht toe dat alleen brandstoffen meetellen waarvan de gehele keten – van de bron tot aan de tank – aantoonbaar duurzaam is.
Van liters naar klimaatwinst
Een fundamentele wijziging is de manier waarop de prestaties worden gemeten. Het oude systeem keek vooral naar de hoeveelheid geleverde energie (het volume). Sinds 1 januari draait alles om ‘emissiereductie-eenheden’. Simpel gezegd: één eenheid staat voor één kilogram vermeden CO2. Met deze stap sluit Nederland aan bij de herziene Europese richtlijnen, waarbij de daadwerkelijke klimaatimpact van een brandstof centraal staat.
De verplichting geldt voor leveranciers van benzine en diesel aan het wegvervoer, het spoor en landbouwvoertuigen. Zij moeten ervoor zorgen dat de gemiddelde CO2-uitstoot van hun brandstoffen omlaaggaat. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) houdt hierop toezicht via het Register Energie voor Vervoer.
Scheepvaart nu volledig onderdeel van het systeem
Nieuw in de wetgeving is de volledige integratie van de zee- en binnenvaart. Leveranciers aan deze sectoren hadden voorheen vaak een uitzonderingspositie, maar hebben nu ook te maken met de verplichting. Dit sluit aan bij bredere Europese klimaatdoelen om ook de maritieme sector te verduurzamen. Voor veel leveranciers in de scheepvaart betekent dit dat zij sinds deze maand voor het eerst te maken hebben met de administratieve eisen van de NEa.
Strenge eisen aan herkomst
De eisen aan de herkomst van grondstoffen blijven onverminderd streng. Biobrandstoffen mogen niet ten koste gaan van kwetsbare natuur. Biomassa uit gebieden met veel biodiversiteit of een hoge koolstofvoorraad – zoals oerbossen, veengebieden of beschermde natuur – is uitgesloten.
Daarnaast gelden er strikte prestatie-eisen: installaties die na 1 januari 2021 zijn gestart, moeten minimaal 65 procent minder broeikasgassen uitstoten dan hun fossiele tegenhanger. Bedrijven moeten dit aantonen met certificaten van door Europa erkende systemen. Zonder de juiste documentatie telt een levering niet mee voor de verplichting.
Duidelijkheid voor de toekomst
Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft de verplichtingspercentages voor de jaren 2026 tot en met 2030 inmiddels vastgelegd. Dit biedt bedrijven de nodige duidelijkheid voor hun langetermijnplanning en investeringen. De koers is gericht op een verdere afbouw van fossiele brandstoffen in het vervoer, waarbij weg, water en spoor gezamenlijk bijdragen aan de klimaatdoelen.
Voor meer informatie over de specifieke duurzaamheidscriteria en de werking van de Brandstoftransitieverplichting verwijst de RVO naar de geactualiseerde richtlijnen op hun website en de technische toelichtingen van de NEa.
>> https://www.rvo.nl/onderwerpen/bio-energie/biobrandstoffen
Foto: Simone Hutsch, Unsplash.com









