Een promotietraject in Zweden laat zien dat dierlijke mest en etensresten kunnen uitgroeien tot grondstof voor veevoer. Onderzoeker Clarisse Uwineza aan de University of Borås beschrijft hoe organische reststromen eerst worden omgezet in vluchtige vetzuren en daarna dienen als voeding voor een eetbare schimmel die een eiwitrijke biomassa vormt. Daarmee komt een lokale vervanger van soja en vismeel dichterbij en krijgt mest een tweede leven met waarde.
Van afval naar voedzame biomassa
De route start bij anaerobe vergisting. In een zuurstofvrije omgeving breken micro organismen mest en voedselafval af tot korte keten vetzuren. Die zuren vormen, samen met stikstof en mineralen uit het effluent, een stabiele voedingsbodem voor kweek. Zo verandert een afvoerprobleem in een grondstofstroom die je gericht kunt sturen. De onderzoeksgroep kiest voor Aspergillus oryzae, een eetbare draadvormige schimmel die ook bekend is uit voedselprocessen zoals miso en sake en die snel groeit op deze vetzuren. De schimmelbiomassa bevat veel eiwit, plus mineralen en voedingsvezel, en is volgens de universiteit goed verteerbaar voor dieren.
De kweek vraagt om precisie. Bepaalde vetzuren kunnen bij hoge concentratie de groei remmen. Uwineza laat zien dat gecontroleerd doseren helpt. Door de zuren gedoseerd aan te bieden groeit de schimmel geleidelijk door en neemt de opbrengst toe, met behoud van samenstelling. Dat vergroot de robuustheid van het proces en maakt de stap van lab naar praktijk realistischer. In de opzet is ruimte voor zowel batch als gevoed batch, waarbij de toevoer van zuren en voedingsstoffen het tempo van de schimmel volgt en schommelingen in het vergistereffluent worden opgevangen.
Gevolgen voor keten en klimaat
De universiteit koppelt de resultaten aan de circulaire bio economie. Door lokale reststromen te benutten daalt de druk op primaire teelten en krimpt de afhankelijkheid van geïmporteerde eiwitten. Dat raakt de klimaat en landgebruiksvoetafdruk van het rantsoen. In de door Borås geschetste lijn sluit de aanpak aan op meerdere VN doelen, waaronder Verantwoorde consumptie en productie en Klimaatactie. Naast toepassing als voer ziet de universiteit ook kansen voor materialen op basis van schimmelcellen, zoals leerachtige toepassingen of biobased kunststoffen, waardoor één proces meerdere waardestromen kan leveren.
Voor veehouders, vergisterbeheerders en voerbedrijven ligt het werk vooral bij kwaliteit en continuïteit. Denk aan een stabiele aanvoer van effluent, een bruikbare mix van vetzuren, aandacht voor pH en ammonium en een kweekproces dat constant kan draaien. Standaardisatie en borging van veiligheid zijn essentieel om de biomassa in te passen in bestaande voerketens. Het onderzoek biedt concrete aanknopingspunten voor pilots naast vergisters, met duidelijke rollen per schakel en zicht op opschaling wanneer de samenstelling en prestaties consistent blijven.
Bron: University of Borås









